Soms zie je ze. Diepdroevige mensen. Soms is het overduidelijk en doen ze hysterisch, roepen of wenen ze. Maar meestal moet je goed kijken om ze te zien. Maar als je ze beter bekijkt, zie je een ondraaglijk groot verdriet. Een last die de schouders onherroepelijk naar beneden duwt. Steeds lager.
Vrijdagmiddag zat ik in het bedrijfsrestaurant mijn broodje te eten toen er aan de tafel tegenover mij iemand plaatsnam. Ik had die man nog nooit eerder gezien. Hij droeg een net pak, zwart met een licht streepje, had erg kort zwart-grijs haar en puppyogen. Trieste, grote puppyogen. Blauw. En hoe meer ik ze bekeek, hoe triester zijn blik werd.
Hij zat alleen aan tafel. Aan de manier waarop hij rondkeek, zag ik dat hij niet veel mensen in dit bedrijf kende, maar toch vergeefs op zoek was naar iemand waar hij bij zou kunnen gaan zitten. Hij staarde voor zich uit, mompelde iets dat verloren ging in het typische refterlawaai en begon te eten. Hij had gekozen voor de dagmenu, op vrijdag steeds vis. Ik had niet de indruk dat dit soort vis en de spinazie erbij zijn lievelingskost was.
Naast zijn bord lag een appel, rood, op zijn zij. En een glas water. Plat.
Deze man, eind in de dertig, straalde zo’n triestesse uit, dat ik spontaan medelijden met hem kreeg. Het soort medelijden dat je krijgt als de ene kleuter het koekje uit de hand van een andere kleuter loopt. Het koekje dat zijn moeder ’s morgens stiekem nog in zijn boekentasje had gestoken. Zo’n triestesse. Die man was iets kwijt. Misschien zelfs het geloof in zichzelf. Daar leek het alleszins op.
Later zag ik dat er twee andere personen bij hem aan tafel waren gaan zitten. Hoewel hij nu een gesprek had, leek hij niet vrolijker te worden. Misschien was zijn vrouw iets ergs overkomen. Of zijn kind.
Ik heb het niet durven vragen…

No comments yet
Feed met reacties voor dit artikel